Ondertussen zijn we al weer een tijdje onderweg. Onze vlucht naar Kangooroo Island zit er op, en was best succesvol te noemen. Niet te veel mensen in de buurt (buiten de fuif op onze camping ’s nachts – het blijft Australie), en een uitgebreid assortiment aan niet-gekooide beestjes. We zagen alle soorten vogels, walabi’s, een Australisch stekelvarken, de kont van een koala ( ze hangen goed verstopt in die eucalyptusbomen) en zelfs een kangoeroe, bij valavond, toen hij spontaan uit de struikjes voor onze rijdende auto sprong. Dankzij Maarten’s reflexen overleefden beide partijen de ontmoeting. Kangoeroe’s zijn reusachtig.

Op het eiland

Bij de meest exotische dieren was Maarten meestal degene met een fototoestel, ik trok vooral het kleinere grut. Brute pech voor koalaliefhebbers.

  

Ondertussen hebben we nog een beter zicht op wat de Australische cultuur zo’n beetje inhoudt. Het is Amerika in het klein. ‘Socialisme’ is een gevaarlijke ziekte, het milieu is er om te verbruiken en geld om zeer vlot uit te geven. Niet echt onze stijl, maar weinig aan te doen natuurlijk.

Momenteel beleven we onze eerste dag in de outback (4 in totaal). In het midden van Australie, omringd door Aboriginalgebied, ligt een klein maar typisch Australisch dorpje vanwaar wij onze woestijntocht beginnen. Het is een vreemde plek om te zijn. Overal ‘blanke’ winkels met Aborignalsouvenirs, terwijl de Aborignals zelf hier werkloos op straat rondslenteren. Een kolonistendorp dat geld verdient door de onderdrukte inheemse bevolking te slijten als toeristische attractie, zo lijkt het. We zijn al gewaarschuwd dat we ons ’s avonds niet op straat moeten begeven, omdat dronken en gedrogeerde  Aborignals hier elke avond de boel afbreken. Wie kan ze ongelijk geven?